Bouwvallen en paleizen

Meer dan vijf jaar duurt het nooit om ze recht te zetten: blinkende kantoorgebouwen, kant en klaar, alles erop en eraan. Tot en met het lakje verf. De hoofdzetel van KBC in Molenbeek of de bedrijven op de Woluwelaan. Het Brusselse Sillicon Valley wordt het  genoemd. Ingewikkelde constructies van staal en glas waar de fantasie van menig architect op bot is gevierd. Echte weelde is het. Paleizen voor IT-bedrijven, bankenconcerns en andere holdings. Gebouwd voor de nieuwe keizers van onze tijd. Net zoals in de middeleeuwen.

Anneessens Funck, een middelbare beroepsschool in hartje Brussel. Vele ketjes uit de volkswijken leren er een beroep. Niet makkelijk. Leerkrachten vechten er dag in dag uit om kansarme pubers de nodige bagage te geven om verder te kunnen. Zestien- en zeventienjarige ketjes die vele politici al sinds lang gebrandmerkt hebben. Enkele maanden geleden is er een deel van het plafond naar beneden gevallen. Een barst in de waterleiding, waardoor de bepleistering het gewicht niet kon houden. Symbolischer kan haast niet. Die ketjes krijgen dan ook alles op hun dak. Het gemeen van de 21ste eeuw. Pek en veren. Net zoals in de middeleeuwen.

Vorig weekend stortte een pareltje Brussels materieel erfgoed in op een speelplaats van een kleuterschool. “Niet zo héél erg” en “potje breken potje betalen” waren de eerste spontane opwellingen van de bevoegde schepen. Het spreekt boekdelen dat een politieke verantwoordelijke zo laconiek omgaat met zijn erfgoed. Enige fierheid voor onze monumenten is immers nooit een karaktereigenschap van Brusselse politici geweest. Maar dat die eerste opwellingen niet eens betrekking hadden op hoe dit überhaupt kon gebeuren, -terwijl die muur met bijhorende toren, de grens vormt van een speelplaats met honderdvijftig huppelende kleuters- spreekt nog dikkere boekdelen. Moest dit hebben plaatsgevonden in het stadhuis, werd dreigingsniveau 4 afgekondigd en cirkelden de helikopters dag en nacht boven onze hoofden. Maar geen stadhuis, en dus een ‘faits divers’ in de media. Nu moeten honderdvijftig kinderen en hun ouders uitkijken naar een andere plaats. Benieuwd of ze een tijdje in de paleizen van die nieuwe keizers terecht kunnen. Beschutting bieden aan de mensen rondom je heir is een feodale plicht. Tenminste, toch in de middeleeuwen.

Achthonderd meter verder kreunt er een lagere school onder de verbouwingswerken. Ook een wijkschooltje, in hartje Marollen. Een bonte mengeling van ketjes tussen zes en twaalf jaar. Bijna tien jaar heeft het geduurd eer er de eerste steen werd verlegd. Hier geen fantasierijke constructies van glas en staal. Wel tijd genoeg voor de bevoegde instanties om een uitwijkalternatief te bieden voor de leerlingen en het lerarenkorps. Maar niet gebeurde. Tussen het gedril en geboor door, leren de kinderen er de letters lezen en schrijven. De lokalen worden ondersteund door ijzeren stutpalen. Voor het geval dat er een plafond instort. Je weet maar nooit.

Ons samenlevingsmodel kiest om de mooiste, de stevigste en de meest creatieve gebouwen in een een mum van tijd op te zetten ten behoeve van een dunne laag superrijken. De enige maatschappelijke functie van die toplaag bestaat erin om meer winst te maken. Niet voor de gemeenschap, maar voor zichzelf. Tegelijk werken tienduizenden leerkrachten met hun kinderen in overvolle en vervallen gebouwen aan de toekomst van onze samenleving.  There is something rotten in the kingdom of Danmark.

Advertenties

Hallo jaren tachtig?

Meestal gebeurt het de laatste dagen van augustus of juni. Onderwijs is dan niet uit de media weg te denken. Het zijn de klassieke momenten waar allerhande onderzoeken uit de schuif wordt gehaald die beweren dat twee maanden vakantie te lang zijn, het niveau van het leerkrachtenkorps elk jaar daalt of dat het onderwijs toch niet optimaal afgestemd is op de eisen van de arbeidsmarkt. Maar kijk, de laatste dagen scoren onderwijsgerelateerde onderwerpen evenveel duimpjes als tijdens de piekmomenten. De discussies gaan over de plaats van (thuis)taal en klasgemiddelden. Denk die socialemediaduimpjes even weg en we wanen ons terug in de jaren tachtig.

Tegenwoordig vragen meer en meer leerkrachten zich af of het nog opportuun is om punten te rapporteren aan ouders. Punten zijn immers niet zo een objectieve graadmeter. Een zeven van leerkracht x, is immers niet hetzelfde als een zeven van leerkracht y. Alles hangt af van de kennis- en vaardigheidsaspecten die men als leerkracht wil meten. Is het dan niet logischer om van daaruit te rapporteren? Met andere woorden, is een doelenrapport niet efficiënter dan een puntenrapport? Een doelgerichte aanpak leent zich daarenboven meer om vanuit groei te rapporteren. En als er iets is dat we van de Scandinavische landen kunnen leren, dan is het wel dat. Dit is de discussie die anno 2017 in onderwijskringen wordt gevoerd. Het onding over klasgemiddelden is dus ronduit hallucinant. Een 1-aprilgrap waard.

Verontrustender is de huidige polemiek rond de plaats van de taal in het onderwijs. Ze wordt gevoerd vanuit politieke motieven. Een banaal persbericht van het gemeenschapsonderwijs over het toelaten van de thuistaal op de speelplaatsen werd door rechts handig uitgespeeld. In een mum van tijd zouden leerkrachten niet meer begrijpen wat de leerlingen allemaal bekokstoven en zou de status van het Nederlands in het onderwijs terug naar vooroorlogse jaren worden gecatapulteerd. Allemaal door die migranten die zich maar niet willen aanpassen. Daar komt het altijd op neer. Er is altijd wel een stok om te slaan. Tegenwoordig is zelfs een GO-persbericht er één .

Er is quasi een wetenschappelijke unanimiteit over de rol van de taal in het onderwijs en het leerproces.  Het gebruik van de thuistaal stimuleert niet alleen het aanleren van andere talen, maar ook het cognitieve denkproces in andere leerdomeinen, zoals wiskunde of aardrijkskunde. We zien dit zeer duidelijk in leergemeenschappen zoals de Europese scholen waar de kennis van andere talen, zoals het Engels, het Portugees of het Duits een meerwaarde biedt. Waarom dan niet die meerwaarde met talen zoals het Turks of het Arabisch? Het is anno 2017 nog altijd schrijnend dat sommige politieke verantwoordelijken wetenschappelijke unanimiteit eenvoudigweg naast zich neer leggen.

Uiteraard moet er worden nagedacht over de plaats van die verschillende talen in het onderwijs. We moeten oppassen voor de valkuilen. En die zijn soms moeilijk te ontwaren in het mijnenveld van een politiek slagveld. Het gebruik van andere talen op de speelplaats of in de klas, stimuleert de kennis van de lingua franca. Maar wat als die lingua franca niet het Nederlands is? In onze Brusselse scholen merken we dat kinderen met als thuistaal het Engels, Urdu of Arabisch een streepje voor hebben op hun Franstalige klasgenootjes. Zij beschikken immers enkel over het Nederlands als voertaal, waardoor ze automatisch deze taal meer zullen gebruiken. Anders is dat met de meerderheid van Franstalige kinderen in onze Brusselse scholen. De situatie in Gent of Antwerpen kan dus niet zo maar gekalkeerd worden naar Brussel.

Eén en ander kan uiteraard gestimuleerd worden met een uitdagend naschoolse aanbod: een meertalig, financieel toegankelijk, sportief en cultureel aanbod voor onze Brusselse jongeren. Vele goede initiatieven kosten handenvol geld en zijn quasi onbetaalbaar voor een grote meerderheid van Brusselse ouders. Via bredeschoolstructuren kunnen sommige van die kwalitatieve naschoolse initiatieven goedkoper aangeboden worden. Op zulke structuren zou dus volop ingezet moeten worden.  Maar daar knelt het schoentje. Momenteel wordt de hele Brusselse bredeschoolstructuur hervormd. Goed draaiende initiatieven worden op een lager pitje gezet, in de hoop dat “de bestaande coördinatoren aan de slag kunnen in scholen die voorheen niet in aanmerking kwamen”. Een put graven om er elders één te vullen, dus. Daarbij wordt er op meer duurzaam engagement vanuit het leerkrachtenteam gerekend. Wachten op een betere financiële omkadering is zoals wachten op Godot. In tijden van Paradise Papers zijn ook dat politieke keuzes.

Jungle Bells

Cadeautjes uitdelen, voedselpakketten van hut tot hut brengen en een pannenkoekenslag. Dit alles doorspekt met een streep muziek. Dat was ‘Jingle Bells for Dunkirk’. We waren met een twintigtal vrijwilligers om de dag in goede banen te leiden. De kinderen in de wolken en iedereen een feestneus op. Chocolade centjes vullen sneller een kinderhand dan eender welk blinkend metaal.

Plots, midden in het dansgewoel, een tik op mijn schouder: “Hello teacher”. Het was Aida met kleine zus Azita. “Saya en Sava zijn hier ook.” Ik ken de kinderen van het schooltje in de jungle van Calais. In oktober twijfelden beide families om zich officieel te laten registreren in één of ander opvangkamp in Frankrijk. Ze wilden niet met de bussen mee. Vingerafdrukken achterlaten in een opvangcentrum was geen optie. Dat was zoals tekenen voor een vliegtuigticket naar Iraaks Koerdistan. Ook al raden de verschillende ministeries van Buitenlandse Zaken reizen naar dat gebied ten stelligste af, het blijft er volgens Europa veilig. Dus de families zijn geen oorlogsvluchtelingen en hebben hier ‘geen recht van zijn’. Dus geen opvangcentrum, wel een zoveelste kamp waar iedereen zich verwarmt aan oliekacheltjes bij temperaturen die schommelen rond het vriespunt. Alles beter dan terugkeren naar de hel. Het kamp van Duinkerke en het zicht op Groot-Brittanië blijkt voor velen de enige houvast in het onrechtvaardige doolhof van de Dublin Convention.

Azita vertelde me dat ze naar school gaat in het centrum van de stad. En dat ze daarheen wordt gebracht met een heuse autobus. Een echte grote bus, in het wit met oranje. En zo mooi van binnen: met tapijt, radio en gordijntjes die open en toe gaan. Enorm cool. Over de school was ze minder opgetogen. “Jij was een hele goede meester” want we konden drinken, eten, buitengaan en spelen wanneer we wilden. Nu moet ze stil zitten, schrijven wanneer de juf dat zegt en vooral, ja vooral, niet vechten bij ruzietjes.” Azita wordt vaak gestraft. 7 jaar is ze. Waarschijnlijk geniet ze, tussen de nachtelijke oversteekpogingen door, nu pas ‘normaal’ onderwijs.

Ook boven Grande-Synthe bengelt het zwaard van Damocles. De genadeslag wordt toegebracht in maart. Dan wordt het kamp afgebroken en zullen de families worden verdeeld over de verschillende opvangcentra in Frankrijk. Voor de families van Saya, Sava, Azita en Aida wordt het een moeilijke keuze. Een verplichte registratie en met een aan de zekerheid grenzende retour richting Koerdistan, of een toevlucht in de geïmproviseerde minikampjes in de omgeving.

Na het debacle van Calais reizen de modderkampjes als paddenstoelen uit de grond: in Norrent-Fontes, in Steenvoorde en zelfs in de onmiddellijke omgeving van Calais. Ze beschikken over geen enkele structuur, laat staan hulpverlening. Compleet aan hun lot en de natuurelementen overgelaten. Het is daar waar mensensmokkelaars, indien nodig met geweld, de regels bepalen. Het is daar waar vluchtelingen zich moeten schuilhouden uit angst verklikt te worden. Het is daar waar de strohalm richting Groot-Brittanië nog dunner wordt. Maar zelfs dat is misschien nog beter dan Erbil of Mosoul.

En zo verwordt Jingle Bells tot Jungle Bells. Een bel die niet zal stoppen met luiden eens alle cadeautjes zijn uitgedeeld. Een bel die door heel Europa klinkt en ons voor een dwingende keuze stelt: willen we opnieuw kampen die met de grenzen van de menselijkheid flirten of niet? Ofwel nemen we de vluchtelingen in onze samenleving op en maken we er het beste van. Ofwel laten we de mensen stikken in onze modder. Als goudmijn voor mensensmokkelaars. En dan komt Calais terug. Vrijwilligers zullen dan opnieuw het werk doen om één en ander meer leefbaar te maken. Elke keer opnieuw. Tot de Franse overheid beseft waar de klepel hangt en de moed zal hebben te erkennen dat ze niet elk probleem met een bulldozer kan platwalsen.

Van een groen lenteblaadje tot Aleppo 2016

We krijgen ze ongenadig binnen, de verschrikkelijke beelden uit Aleppo. Wat eens een prachtige stad was waar geschiedenis en moderniteit elkaar ontmoetten in met mondaine boulevards omzoomde paleizen en bruisende bazars, resten er enkel nog rottende lijken tussen grind en puin. De verwoestende oorlogslogica verkoopt ons andermaal een flinke uppercut. Knock out en verlamd van het zien hoe opgekropte wraakgevoelens en het jarenlang opstapelen van lijken zich vertalen in nietsontziende haat en genadeloze massaexecuties. Laat het, voor de zevenendertigste keer, opnieuw een les zijn.

Vijf jaar geleden groeide er een fris groen blaadje aan een twijgje van de Arabische lenteboom. In het zog van de Tunesiërs en Egyptenaren, stond een deel van de Syrische bevolking op tegen een autoritaire president en eiste meer inspraak en democratie. Het regime hakte er toen al ongenadig op in. Westerse machten zagen hun kans schoon om het protest te kapen en begonnen -soms openlijk- allerhande verzetsorganisaties te bewapenen. Dat meer dan de helft van die organisaties in meer of mindere mate banden hadden met islamitische terroristen, maakte de zaak niet. Bin Laden werd nog niet zo heel lang geleden gesponsord om het toemalige democratische regime in Afganistan uit het zadel te lichten. De VS is er altijd heel duidelijk over geweest: Assad moet en zal verdwijnen. En dat daarbij het doel de middelen heiligt, is allang geen nieuws meer. Het resultaat is een verwoestende oorlog waarbij het geweld van vijf jaar geleden een akkefietje lijkt. Van een civiele maatschappij, laat staan haar burgerprotesten, is al lang geen sprake meer. Die evolutie enkel in de schoenen van Assad schuiven zou afbreuk doen aan de waarheid.

Wat er in Aleppo gebeurt, ligt ver voorbij de grenzen van enige menselijkheid. Onze maag krimpt, een drukkend gevoel op onze borstkas en een krop in de keel. Gevoelens van machteloosheid en degout nemen de overhand. Dat is normaal. De mensheid zou er maar magertjes voor staan, moest de getoonde gruwel geen emoties losweken. Laat het duidelijk zijn: de legers van Assad en Poetin begaan oorlogsmisdaden en moeten verantwoording afleggen voor een internationaal oorlogstribunaal. Dat dit rechtstreeks in de kaart speelt van de Amerikaanse belangen in Syrië, is zeker waar, maar verandert geen jota aan gebombardeerde ziekenhuizen of kleuterklasjes.

Heftige emoties dringen andere gewaarwordingen soms op de achtergrond. Vergelijk het, misschien wat ongelukkig, met liefdesverdriet. Het verdriet en de pijn zijn zo overweldigend, dat er weinig ruimte rest voor andere gevoelens, laat staan het denken. Na een tijd verzacht het verdriet en komt er plaats vrij om de liefdesrelatie, die al een tijdje in het slop zat, anders te aanschouwen. Deze dynamiek maakt mensen menselijk. Bij het zien van de schandalige oorlogsmisdaden ten opzichte van een weerloze bevolking, verhogen onze empatie en ons rechtvaardigheidsgevoel exponentieel. Misschien is het dus nog te vroeg om ruimte geven aan iets anders. Onze darmen zijn immers toegespitst op Aleppo. Onze -en laat het even een eufemisme zijn- verontwaardiging ten opzichte van de Russen en het Syrische regeringsleger drukt op de maag. En dat is goed zo. Maar we moeten ons wel van deze gevoelsdynamieken bewust zijn. Net zo zeer dat we goed moeten beseffen dat er politieke en economische belangengroepen zijn die van deze gevoelsdynamieken handig gebruik maken om zaken naar hun hand te zetten. Propaganda noemt zoiets.

Zodra de media op ons gevoel speelt, beginnen er bij mij automatisch knipperlichten te branden. Ik moet dan denken aan het fantastische boekje van professor Anne Morelli die “De tien geboden van oorlogspropaganda” op een rijtje zet:

1. Wij willen geen oorlog
2. Het andere kamp is de enige verantwoordelijke voor de oorlog
3. De vijandelijke leider lijkt op de duivel (of de ‘griezel van dienst’)
4. Wij verdedigen een nobele zaak, geen particuliere belangen
5. De vijand begaat bewust wreedheden; wij onopzettelijke blunders
6. De vijand gebruikt illegale wapens
7. Wij lijden zeer weinig verliezen; de verliezen van de vijand zijn enorm
8. Kunstenaars en intellectuelen steunen onze zaak
9. Onze zaak is heilig
10. Wie aan onze propaganda twijfelt, is een verrader

Het zijn universele principes, die de politieke en economische elite telkens gebruikt om een bevolking kant te laten kiezen in een confict, of in het slechtste geval, ons te laten meehuilen met de oorlogswolven. Uiteraard dat de media de nachtmerrie in Aleppo moet tonen. Gruwel, van welke kant dan ook moet worden veroordeeld en de verantwoordelijken gestraft. Een ander verhaal wordt het als het ene geweld wél en het andere niet wordt belicht. Waarom krijgen we soortgelijke beelden niet te zien uit Mosul of Sanaa?  Mag ons rechtvaardigheidsgevoel en onze empatie niet aangewakkerd worden bij de massaslachtingen die de Amerikanen en hun bondgenoten aanrichten? Mogen we niet besluiten dat oorlogsmisdaden berecht moeten worden, ongeacht wie ze uitvoert?

Vergeef me deze rationele vragen. Misschien komen ze te vroeg. Gelijkaardige situaties uit het verleden hebben me ietwat achterdochtig gemaakt. Want telkens komen de grootste schurken ermee weg. Zij die al jarenlang hele regio’s in lichterlaaie zetten door te wedden op de paarden die hen het meeste opbrengen en de anderen naar de slachtbank te leiden.

Wereldoorlog I ging niet over het beschermen van de kleine Belgen tegenover de stoute Duitser. Wel over de herverdeling van grondstoffen en kolonies. De groten kwamen ermee weg. Het tromgeroffel tijdens Golfoorlog I klonk niet omwille van couveuzebaby’s, maar galmden voor de olie. Halliburton verscheept vandaag de barils richting VS. De Turken voeren geen oorlog tegen de Koerden om zich te beschermen tegen terroristische aanslagen. Het gaat over territoriale expansie in het licht van het Syrische debacle. En ook in dit Syrië-verhaal trachten de VS en haar bondgenoten een mistgordijn te spuien, door de aandacht van de eigen gruwelen even af te leiden naar die van de vijand. In casu de Russen en Assad. Telkens wordt de tegenstander weggezet als de duivel in persoon, klaar om tegen elke prijs oorlog te voeren en met wie onderhandelen onmogelijk is. De eigen motieven daarentegen, zijn verhuld in nobele doelstellingen zoals democratie, vrede of mensenrechten. Het is een terugkerend stramien. Ook nu.

Oorlog is geen Hollywoodfilm waarin de goeden de slechten een pak rammel geven en dan wegrijden op hun witte schimmel. We vergeten dat wel eens. Vooral als onze maag krimpt bij het zien van een verloren teddybeer, ergens onder het puin van een ineengestort appartementsgebouw. Verlamd door het besef dat de mensheid tot zoiets gruwelijk in staat is. Laat ons hopen dat ze snel met de heropbouw kunnen beginnen. Dan heb ik het niet over die hoop stenen, maar vooral over het vertrouwen tussen de mensen in die eens zo bruisende stad.

L’Europe et le trafic humain

Autoroute E40, dernière pompe à essence avant la France, Mannekesvere. Plus qu’une heure de route, donc bien le temps de faire une pause et de boire un mauvais café au bord de la route. Sur le parking les camions, roumains, polonais, hongrois, allemands et danois. Les rideaux de la plupart des cabines sont encore tirés, même si certains chauffeurs sont déjà réveillés. Á côté de leur poids lourd, ils se rafraîchissent le visage, fument une cigarette ou boivent un café dans un gobelet en carton, comme moi.

Ont-ils reçu une visite inattendue cette nuit ? Après tout, avec un minimum de matériel spécialisé, non seulement la serrure d’une remorque ne résiste pas longtemps, mais elle est rapidement réparée, c’est vrai. À l’image du couteau qui, après avoir été plongé dans le beurre mou, ne laisse aucune empreinte une fois qu’il s’est retiré. Pour y faire entrer des réfugiés, le délai est court, pas plus de quelques minutes. Sur ce parking, le travail des trafiquants dure depuis des années. Ce monde fait partie intégrale du quotidien des réfugiés à qui j’ai donné cours à l’Ecole Laïque du Chemin des Dunes. Pour la majorité, Calais n’était qu’une étape, une escale. Un ‘Kales’, en ancien néerlandais.

Puisqu’il est impossible de passer légalement certaines frontières, les réfugiés feront toujours appel à ces trafiquants. Il y a quelques dizaines d’années, ce fut la même chose en ce qui concerne la boisson ou le tabac. L’Europe ferme ses frontières, tant à extérieures qu’intérieures. La tendance actuelle consiste à dérouler plus de barbelés, et à construire des murs de plus en plus hauts. Les trafiquants s’enrichissent en dormant, tout en prenant plus de riques, et pour les réfugiés, les prix augmentent. Au cours des semaines qui ont précédé le démantèlement de la jungle de Calais, les tarifs ont quasiment triplé. En effet, les routes migratoires sont beaucoup plus contrôlées. Pour les organisations criminelles, il s’agit d’un simple calcul de risque. Ainsi, l’Europe devient le principal sponsor de ces bandes. La montagne de blé dont bénéficient les trafiquants augmente avec le nombre de forteresses que l’Europe construit. Le trafic humain est, plus que la prostitution ou le commerce de drogue, une des branches les plus lucratives de l’économie illégale. Qu’est devenu le temps où un réfugié pouvait prendre l’avion avec un simple visa, et où les trafiquants (existaient-ils à l’époque ?) ne pouvaient pas se procurer du sel pour leurs patates ?

Dans le camp, des rumeurs couraient de temps en temps à propos de réfugiés qui faisaient de sales boulots pour ces trafiquants. Il s’agit de petits sous-fifres qui tentaient de subvenir aux besoins de leur famille, en remplissant les camions ou en cachant le matériel qui devait servir à les ouvrir, cela pour trois fois rien. Ce sont de pauvres bougres qui, en s’exposant au-delà du raisonnable, risquent donc le plus ; les services d’ordre tentent de se servir de ces “crevettes” comme appât. Lors de leur arrestation, ces personnes gardent souvent le silence. Il suffit donc d’analyser le résultat du “War on drugs” aux Etats Unies, pour comprendre qu’une telle approche a toujours été infructueuse. Derrière leur bureau, ces messieurs qui ramassent l’argent sont restés hors d’atteinte. La seule manière d’éteindre leur cigare est de faire en sorte que leur fond de commerce, c’est à dire le trafic des gens au-delà des frontières, devienne caduc. Les trafiquants en prendraient un bon coup, si l’asile était plus accessible aux réfugiés.

Il y a un an, dans le premier camp à Grande-Synthe, les trafiquants (petits et gros poissons) étaient plus facile à repérer. Comme des paons, ils se mettaient en avant et négociaient ouvertement les prix et les transports. Ces bandes disposaient des meilleurs endroits dans le camps: des cabanes en bois chauffées, sur la terre sèche. La plupart des réfugiés galéraient avec leurs tentes de festival dans la boue. Quelle différence avec le camp actuel où tout le monde loge dans des cabanes en bois ! C’est parce qu’il s’agit d’un camp officiel où l’on est enregistré, parce que dans un processus d’asile. Les enfants sont encouragés à fréquenter l’école. Comme l’organisation dépend des pouvoirs publics, les trafiquants ont perdu leur emprise sur le camp. Ils n’ont plus aucune raison d’y sévir. C’est pour cette raison que l’expérience de Grande-Synthe devrait servir d’exemple pour mettre en place une organisation à l’échelle européenne, par un accueil officiel plus tolérant, à partir des frontières, agrémenté d’une politique de répartition dans toute l’Europe.

L’Europe ne pourrait-elle ouvrir ses portes pour “accueillir la misère du monde”, d”autant que la plupart des réfugiés séjournent dans le pays voisins ? Avec une population d’à peine quatre millions, le Liban accueille bien près d’un million de réfugiés. Et la Turquie comme la Jordanie se sont investi, plus que l’Europe.
Et il est évident que, une fois la guerre terminée, de nombreuses personnes retourneront dans leurs pays d’origine. Une guerre dans laquelle l’Europe a sa part de responsabilité. Le commerce d’armes avec l’Arabie Saoudite est une pont pour les sales guerres qui se déroulent dans la région. Les bombardements sur Raqqa ou Mosoul provoquent des flux migratoires immenses.

Soit l’Europe cesse de jouer cette carte, sinon les réfugiés continueront à affluer vers le nouveau rideau de fer, soit, elle s’engage dans une politique active de paix, en invitant coûte que coûte les partis en guerre à se réunir autour d’une table, et à cesser tout commerce avec les pays dictatoriaux, ce qui serait déjà un bon début.

C’est devant cette alternative que se trouve l’Europe.

Europa versus mensenhandel

De E40, Mannekesvere, het laatste tankstation voor Frankrijk. Meer dan een uur op de baan, dus tijd voor een pauze en slechte snelwegkoffie. Talloze vrachtwagens aan de kant van de weg. Roemenen, Polen, Hongaren, Duitsers en Denen. De meeste cabines hebben nog gesloten gordijnen, maar sommige chauffeurs zijn al wakker. Naast hun tientonner versfrissen ze het gelaat, roken er een sigaret of drinken, net als ik, koffie uit een kartonnen bekertje. Ik vraag me af of er één van die chauffeurs deze nacht onverwacht bezoek heeft gehad. Het gebeurt snel. Met gespecialiseerd materiaal wordt de vergrendeling van de vrachtwagencontainer opengeknipt en toegelijmt. In een mum van tijd worden vluchtelingen ingeladen. Vanuit Mannekesvere opereren er al jaren mensensmokkelaars. Deze wereld maakt integraal deel uit van de dagelijkse realiteit van de vluchtelingen aan wie ik lesgaf in het schooltje van het kamp. Calais was voor de meesten een tussenstop. Une escale. Een ‘kales’ in het Middelnederlands.

Zolang het onmogelijk is om op een legale manier grenzen over te steken, zullen vluchtelingen beroep blijven doen op deze smokkelaars. Zo was dat vroeger ook met producten zoals drank of tabak. Europa sluit haar buitengrenzen -en nu ook steeds meer haar binnengrenzen- af voor migratie. De huidige tendens bestaat erin meer prikkeldraad uit te rollen en hogere muren te bouwen. Zo worden smokkelaars slapend rijk. De bendes gaan immers nog meer risico’s nemen. Daardoor schieten de prijzen voor de vluchtelingen nog meer de hoogte in. De weken voor de ontmanteling van het kamp in Calais, was er sprake van een verdriedubbeling van de tarieven. De vluchtroutes werden immers strenger bewaakt. Risicoberekening dus. Zo verwordt Europa, omwille van haar migratiepolitiek, tot feitelijke geldschieter van criminele bendes. En hoe meer forten er worden gebouwd, hoe meer poen die bendes scheppen. Nu al is de mensensmokkel, meer dan prostitutie of drugshandel, één van de meest winstgevende bedrijvigheden in de illegale economie. Waar is de tijd dat een potentiële vluchteling met een eenvoudige visumaanvraag het vliegtuig op kon stappen? De smokkelaars -als die er al waren- zaten toen alvast op droog zaad.

Soms hoorde je in het kamp verhalen vertellen over vluchtelingen die vuile werkjes opknappen voor deze bendes. Ze laden vluchtelingen in of verstoppen het materiaal om vrachtwagens open te breken. Dat zijn de kleine loopjongens die voor wat kruimels hun families proberen te onderhouden of over te laten brengen. Sukkelaars die het hardst in de schijnwerpers lopen en die hun vel riskeren. Als zij opgepakt worden houden ze de lippen vaak stijf. Politiediensten doen misschien hun best om kleine garnalen als aas te gebruiken, maar men hoeft maar naar de resultaten van de zogenaamde “war on drugs” te kijken, om te begrijpen dat deze aanpak nooit echt vruchten heeft afgeworpen. Zij die, vanachter hun bureau’s, de fortuinen opstrijken blijven buiten schot. De enige manier om die mannen hun sigaren te laten doven, is hun handeltje zinloos te maken. En dat doe je door hun fond de commerce, het is te zeggen de handel van mensen over grenzen, aan te pakken. Als vluchtelingen in alle openheid asiel kunnen aanvragen in Europa, dan is het met het gros van die mensenhandel gedaan.

In het eerste kamp van Grande-Synthe kon je de smokkelaars (grote en kleine vissen) meteen herkennen. Ze liepen er in the picture en onderhandelden open en bloot over prijs en transport. Die bendes hadden de beste plaatsen in het kamp: houten verwarmde barakken op droge grond. De meeste vluchtelingen ploeterden toen met festivaltentjes in het slijk. Een groot verschil met het huidige kamp. Nu woont iedereen in houten hutjes. Dat komt omdat het nu een officieel kamp is waar mensen zich registreren. De kampbewoners zitten in een asielprocedure. De kinderen worden aangemoedigd om in het reguliere onderwijs te stappen. Door één en ander vanuit de overheid te organiseren krijgen smokkelbendes minder grip op het kamp. Zij hebben daar geen bestaansreden meer. Daarom dient de aanpak van Grande-Synthe als voorbeeld om één en ander op Europese schaal toe te passen. Een open en officiële opvang die aan de grenzen begint, met een deftige verdeelpolitiek over heel Europa.

Met zulke maatregelen gooit Europa zeker niet de deuren open om “de miserie van de wereld” op te vangen. Het gros van de vluchtelingen verblijft in de onmiddellijke buurlanden. Zo neemt Libanon, met een bevolking van amper vier miljoen inwoners, één miljoen vluchtelingen op. Ook Turkije of Jordanië doen een aanzienlijk grotere duit in het zakje dan Europa. De meeste mensen willen immers terugkeren naar hun land. Eens, als de oorlog gedaan is. Een oorlog waar ook Europa zijn deel in heeft. Wapenleveringen aan Saoudi Arabië zijn een doorgeefluik voor de vuile oorlogen die in de regio gevoerd worden. De bombardementen op steden als Raqqa of Mosoul veroorzaken immense vluchtelingenstromen. Zolang Europa die rol speelt zullen de mensen blijven toestromen naar het nieuwe ijzeren gordijn. Daarentegen, het voeren van een actieve vredespolitiek, de strijdende partijen kost wat kost rond de tafel krijgen en stoppen handel te drijven met de plaatselijke dictatoriale regimes zou al een mooi begin zijn. Dat is de fundamentele tweestrijd waar Europa nu mee geconfronteerd wordt.

Calais: de geschiedenis herhaalt zich

Lettre de remerciement

Chers professeurs,

Nous avons le ventre serré.
Nous vous remercions. Nous sommes tristes de vous quitter. Merci de nous avoir aider à apprendre le français. Nous avons beaucoup apprecié ce que vous avez fait pour nous. Nous ne vous oublierons jamais. S’il vous plait, ne nous oubliez pas. Merci beaucoup beaucoup à tous les professeurs. Nous éspérons vous revoir. Nous sommes tristes de quitter l’ecole, toutes gentilles personnes que nous avons recontrés dans la jungle.

Dat stond er op het bord te lezen toen ik het klaslokaal binnen ging. Een korte brief van een anonieme vluchteling. Deze man beschrijft treffend het wij-gevoel van die duizenden mensen, klaar om in eender welke omstandigheid te leren en zich te ontwikkelen. Een poging om, ook in een hel zoals de jungle, verbindende contacten te zoeken met locals. “Integratie” is de politiek correcte benaming.

De dag voor de ontmanteling, het was een abnormaal kalme dag. Verontrustend kalm zelfs. Weinig mensen op straat. Sommige bleven angstvallig binnen, bang om opgepakt te worden eens ze zich buiten de grenzen van het kamp waagden. Anderen waren bezig de laatste broeken en truien bij elkaar te sprokkelen en in valiezen te steken. Voor ons is dat meestal synoniem voor vakantie. Sandalen, zonnecrème en -brillen in een valies samenproppen kan knap vervelend zijn, maar het uitzicht op zon en zee reduceert deze handeling tot een detail. Hier gaat het gepaard met een nieuwe sprong in het onbekende. Hoeveel keer hebben deze mensen al moeten in- en uitpakken? Een badhanddoek of strandliteratuur zal er nooit bijgezeten hebben. Sommigen zullen er beter van afkomen. Een bed, een deken, verwarming en misschien uitzicht op een regularisatie in Frankrijk. Anderen zien hun droom om in het Verenigd Koninkrijk te geraken definitief vervliegen als ether in een ziekenhuis. Een vliegtuig richting thuisland is dichterbij dan ooit.

Stilte voor de storm dus. De bussen staan klaar. Drie dagen zal de Franse regering non stop mensen afvoeren naar de opvangcentra overheen heel Frankrijk. Getransporteerd, zoals vee. De zitjes in de bussen zijn ingepakt met plastiek. De boodschap is duidelijk: jullie zijn niet meer of minder dan een stuk vuil, een rottende bananenschil op de grond die alleen maar voor miserie zorgt. Wie nadien nog ronddwarreld in de omgeving van het kamp, wordt opgejaagd. Opgejaagd en opgepakt. Meteen op het vliegtuig gezet richting thuisland. Deze informatie zou de overheid vorig weekend en masse in het kamp verspreiden. Alleen, was er niemand te bespeuren. Het vuile werkje werd, nogmaals, door honderden vrijwilligers gedaan. Diezelfde mensen die al maanden hemel en aarde bewegen om het kamp min of meer leefbaar te maken. De overheid wil blijkbaar haar handen niet vuilmaken. De matrakken des te meer.

De belofte om alle onbegeleide minderjarigen uit het kamp te halen vooraleer met de operaties van start te gaan heeft de overheid ook aan haar laars gelapt. Het centrum waar die kinderen verblijven is vorige week uitgebrand. Een traangasgranaat viel in een afvalcontainer en vatte vuur. Vrijwilligers hadden geen andere keus dan te vertellen aan de minderjarigen om te wachten tot de volgende dag. Inch Allah.

Net voor het instappen kregen de vluchtelingen de keuze tussen twee steden. Enkel dan konden ze pas kiezen. De laatste lesdag waren vele vluchtelingen dan ook bezig de kaart van Frankrijk ernstig te bestuderen. Of hoe sommige leerkrachten tot de laatste zucht alles in functie blijven stellen van het lesgeven. Een engagement en een idealisme dat fel afsteekt tegen de acties van de Franse regering.

Lesgeven, ik ben er die laatste dag niet meer toegekomen. Veel te druk om het vuile werkje van de overheid op te knappen. Van tent tot tent gaan om mensen te informeren wat er de volgende dagen allemaal in de lucht hangt. En mensen proberen te overtuigen om toch maar op die verdomde bus te stappen. Zelfs al hebben vele vluchtelingen er nul komma nul vertrouwen in. Na al wat ze gedurende maanden hebben meegemaakt, zou je voor minder. Zelf denk ik ook dat het zaakje stinkt. Een maand geleden heeft Frankrijk terugkeerakkoorden afgesloten met Afganistan en Soedan. 90% van de junglebewoners komen van daar. Men hoeft geen politiek strateeg te zijn om te weten wat dit inhoudt voor velen die op die bussen zijn gestapt. Maar het is dat of meteen het land uitgezet worden. Die bussen waren de laatste strohalm.

Ondertussen zijn we enkele dagen verder en alles is ontploft. De eerste dag verliep de ontruiming nog min of meer ordelijk. Voor de lenzen van de camera’s kon het ook niet anders. Frankrijk heeft immers haar reputatie als onberispelijke republiek hoog te houden. Maar eens het cordon rond het journaille ingesteld, kregen de zwarte laarzen vrij spel. Eerst diende de prefect een communiqué de wereld in te sturen dat het kamp leeg was. Binnen-en buitenlandse kranten namen het communiqué gretig over. Geen kat die het kon of wou controleren. En kijk, Calais brandt. Mensen werden uit hun huizen gerookt en nadien terug het kamp ingejaagd. Kinderen, vrouwen en mannen, voor de Franse overheid speelt het allemaal geen rol. De bulldozers moeten en zullen erover rollen. Een dag vroeger dan aangekondigd.

De geschiedenis herhaalt zich. We zeggen het vaak. Als boutade, als een soort van algemene wijsheid. Daarmee kunnen we eigenlijk zoveel, maar tegelijk ook niets zeggen. Het is een veilige quote. We zitten met onze neus zo dicht op de feiten dat het niet meer eenvoudig is om deze simpele waarheid te zien en te vergelijken met zaken die in het verleden zijn gebeurd. Mensen worden gedwongen in kampen te wonen, waar basiszorg niet aan de orde is. Nadien worden die kampen aangevallen door de ordediensten. Tenslotte worden de mensen uit hun woningen gerookt of in het beste geval als beesten afgevoerd. En de kans is reeël dat velen terug zullen worden gestuurd naar de levensgevaarlijke situaties die ze net ontvlucht zijn. De parallel met het getto van Warschau en de treinen lijkt evident, maar vele mensen zien het niet meer. Verblind door het zand dat in de ogen is gestrooid. Dat zand heeft verschillende namen: angst, racisme en onzekerheid. De combinatie ervan maakt mensen onmenselijk. De opeenvolgende regeringen dragen met hun sociaal en economisch wanbeleid al tientallen jaren een verpletterende verantwoordelijk in het laten sudderen van die ingrediënten. Met een explosieve cocktail van haat en onwetendheid als resultaat. Binnen tien jaar zullen we het opnieuw zeggen “Wir haben es nicht gewust”. En politici zullen opnieuw een mea culpa slaan.